“I’m an old horse”, zei Nicolas, een klein rond mannetje met kaal hoofd en witte wenkbrauwhaartjes. “I’m panting”, zei ‘ie, terwijl we behoedzaam de gladde granieten gesteenten van Dombashawa beklommen, op zoek naar prehistorische rotstekeningen. “No, it’s okay, I’m dizzy”. De trui ging uit, de das los en het zweet gutste hem van het bolle hoofdje. Hij had er op gestaan om mee te gaan naar boven. Misschien omdat ik had gezegd dat ‘ie vandaag niet alleen de chauffeur zou zijn (“How many people coming?” “One.” “Only one?” “Yes, me”) maar ook mijn gids en beschermheer. Voorwaar een ernstige taakopvatting.
We waren Harare nog niet uit of we spraken al over politiek, hoewel dat in alle safety rules sterk wordt afgeraden. Kwaadspreken over de oude dictator, hij wiens naam je maar beter niet vallen laat, is een vergrijp en iedereen spion. Maar de mensen zijn het regime meer dan beu. “Hoe weten jullie dat ‘ie echt nog leeft?”, vroeg ik, indachtig vele complotten in evenzovele obscure Afrikaanse republieken. Nou, dat was niet zo moeilijk. Mister Mugabe houdt voortdurend toespraken op de televisie, waarin hij de VS en UK aanvalt als vijanden van het volk. “Maar weet hij dan niet dat de VS en UK tegenwoordig ook arme landen zijn, Nicolas?” zei ik. “Veel te arm om zich met Zimbabwe te bemoeien. Nee, dan de Chinezen”, zei ik, lekker stokend, “die moet je in de gaten houden, die hebben geld en zijn met veel, heel veel..”
Het was adembenemend mooi in Dombashawa, ook in de verzengende droogte, met fluorescerend gele, dennengroene en brique mossen die de rotsen extra allure gaven. Het speciale gevoel dat zich van je meester maakt op zo’n oeroude plaats waar beslist iets krachtigs van uitgaat. Eenmaal boven, de wijde omtrek aanschouwend, had ik liefst rond willen rennen van puur geluk, ware het niet dat zulks zonder pardon tot gebroken nekken had geleid. De bodem was bepaald oneffen. Rockpaintings waren nergens te bekennen, grote wegwijzers op de rotsen ten spijt. We hadden ze toch keurig gevolgd. Niet dat het gaf, de missie was wat mij betreft al dik geslaagd.
Heuvelaf met Nicolas, minder gehijg, dus meer verhaal. “You know what” zei hij, “you can’t take Africa out of the African”. Hij had het duidelijk niet op met de myriaden “christian sects”, overal opduikend, die “interfere with domestic issues” waar ze geen barst mee te maken hebben. We waren eerder die middag al een kudde in het wit gehulde non-achtigen gepasseerd, waarvan velen jonge meisjes. Hij had er geen goed woord voor over gehad. Wat was hij zelf dan? Hij was van de Salvation Army. Dus toch christen? Dat moest ik anders zien. Zijn ouders waren bij de Salvation Army, hij was in het Salvation Army ziekenhuis geboren en de Salvation Army had in zijn dorp een ziekenhuis en een school gebracht. Daarmee waren de zo belangrijke educatie en ziekenzorg gekomen die ze tot dan hadden gemist. Maar om zichzelf tot christen te bestempelen, dat ging toch te ver.
“Moet je meemaken”, zei ‘ie over de sektes, “dan komen ze het woord van Christus preken en dan blijken ze zelf niet eens te kunnen lezen. En ze willen ook niet dat de bijbel in de kerk gelezen wordt.” Ik moest maar eens stilletjes lachen. Over moslims had 'ie ook goed nagedacht. “Al die maffe gebruiken die ze nu in andere landen willen invoeren, het is toch zonneklaar dat die niets met geloof te maken hebben? Jezelf compleet bedekken is tegen de zon en het zand in de woestijn en allemaal op de grond zitten is natuurlijk omdat ze daar vroeger geen stoelen hadden. En nou zijn er ook al christenen die beweren dat je geen varkens mag eten, omdat in de bijbel staat dat Jezus heeft gezegd dat er boze geesten in varkens huizen. Nou, ik eet wat ik wil.”
Wordt vervolgd.