

Dus zo zien ze eruit, die rebellen uit de Kivu. Als gewone mannen, sommigen piepjong nog. Die moeten als kindsoldaat in de jungle zijn beland. Ze hebben er jarenlang geleefd, zelfs in gezinsverband. Aan de kost gekomen met landbouw, illegale mijnbouw of erger. Je vraagt je af, als je ze bekijkt, wie er bloed aan de handen heeft, wie verkracht heeft en geplunderd. De gedachte alleen al maakt het moeilijk oogcontact te maken. Allemaal moordmachines in de zaal? Nu zingen ze vooral heel mooi, het gaat door merg en been, als uit één keel en ritmisch begeleid door hun eigen handgeklap. Maar het zijn zo’n duizend handen en vijfhonderd kelen, verenigd in een patriottisch lied, waarvan alleen het woord Rwanda herkenbaar is.
We zijn te gast in Mutobo Demobilisation Centre, een reïntegratiekamp van de Rwandese overheid, in de Kivu regio, aan de grens met Congo Kinshasa, één van de meest rampzalige landen ter wereld. Hier in de grensstreek wordt nog steeds gevochten, vooral aan Congolese zijde, maar in Rwanda is men beducht dat daar de lont ook weer in het kruitvat gaat. Het strijdtoneel is groot en gecompliceerd, met vele facties en splintergroepen, elk hun eigen land claimend, elk hun eigen ‘recht’ hanterend. Wie zich enigszins in de materie verdiept raakt snel de kluts kwijt, begrippen als goed en slecht vervagen. Armoede en overbevolking doen wonderen voor de opleving van geweld, maar ook de nota bene geconstrueerde ‘etniciteit’ laat de mensheid niet onberoerd. Glashelder is dat grondstoffenjagers garen spinnen bij zoveel mogelijk chaos. Diefstal wordt zo eenvoudig en met de belangen van de lokale bevolking behoeft geen rekening te worden gehouden. Als je bedenkt dat onze draagbare machineparkjes met deze door smerige handen verkregen grondstoffen worden gevoed mag je wel tweemaal nadenken voor je weer een nieuw modelletje meent nodig te hebben.
Na de genocide trokken vele tienduizenden Rwandese Hutu’s de grens over om vanuit Congo tegen het regeringsleger te strijden, sommigen zij aan zij met de Congolezen. De Rwandese regering probeert al jaren te pacificeren, goedschiks zo op het eerste gezicht. Daarom mogen alle rebellen van Rwandese origine die zich nog over de grens bevinden in vrede terugkeren naar hun land, onder de voorwaarde dat zij hun wapens inleveren en voor drie maanden een ‘cursus’ ondergaan: “hoe gedraag ik mij als een modelburger in het moderne Rwanda”. Daartoe zijn speciale reïntegratiekampen ingericht, waar ook medische en psychologische zorg wordt geboden. Mutobo is voor mannen, voor vrouwen en kinderen is aparte opvang geregeld. De goed-nieuwsfolder die we uitgereikt krijgen zegt het zo: “One of our main objectives is to demoblize and succesfully reintegrate ex-combatants into civilian life.. (we) help ex-combattants to rejoin their communities in the right mind ready to meaningfully contribute to their communities and be self reliant.”
De lijst met onderwerpen die aanbod komen is lang en indrukwekkend. Een greep uit het aanbod: human rights, patriotism, intrepreneurship skills (sic), gender issues, aids prevention policy, personal & community hygiene, tourism, banking services…Zou dat allemaal beklijven, vraag je je af. Het moet wel, er wordt ernstig gemonitord hoe de cursisten het er in het echte leven vanaf brengen. Het genoemde slagingspercentage is hoog. Maar toch, terugkeren in je dorp terwijl iedereen weet dat jij een gewezen rebel bent? Heb je dan niet meteen een enorm stigma te pakken? Wat vraagt dat aan vergevingsgezindheid van je omgeving? En wat vindt die ervan als je gesteund met overheidsgeld een concurrerende zaak komt opzetten, terwijl het al sappelen geblazen is? De premie van omgerekend 100 dollar, die je als startkapitaal krijgt wanneer je de cursus met goed gevolg aflegt, is een dermate grote lokker dat zich ook Congolezen bij het kamp voor Rwandees uitgeven. Ze spreken dezelfde taal en zien er hetzelfde uit, wie zou daar geen slaatje uit trachten te slaan.
In al deze verwarrende omstandigheden staat vast dat muziek een bijzondere rol vervult. De Rwandese samenleving kent een sterke orale traditie en met behulp van liederen en muziek wordt de geschiedenis levend gehouden. Dat zulks niet altijd voor harmonie zorgt komt naar voren uit de annalen over de genocide. Vlak voordat die in 1994 plaatsvond zond Radio Television Mille Collines (RTMC), een populair Hutu radio-station in Kigali, dagelijks extreem nationalistische volksmuziek uit, met als thematiek de superioriteit van het Hutuvolk en de aanmoediging om Tutsi’s toch vooral te over de kling te jagen. Om dit gedachtengoed diep in het bewustzijn te laten nestelen werd de melodieuze ‘haatspraak’ met grote regelmaat gedraaid. En het werden echte meezingers, getuige de waanzinnige geweldsuitspattingen die het land niet veel later overspoelden.
Vanaf begin jaren 2000 werd muziek ingezet om precies het omgekeerde te bewerkstelligen. In 2001 stelde president Paul Kagame in het hele land zogenaamde Gacaca courts in, een soort ‘traditionele rechtbanken’ met lekenrechtspraak, in kleine gemeenschappen opererend op basis van overgangsrecht. Doel was een handreiking aan de door oorlogsmisdaad volledig overbelaste rechtbanken en het versneld leeg maken van overbevolkte gevangenissen. Dat slachtoffers daarbij recht spraken over daders was een bijkomstigheid die uit nood werd getolereerd. Ook moest een grootschalig verzoeningsproces in gang worden gezet. Om de implementatie van deze Gacaca courts aan de man te brengen, bracht men op de nationale radio volksliederen ten gehore, waarin de procedures werden uitgelegd en mensen werden opgeroepen hun medewerking te verlenen. Het uitdragen van een gezongen boodschap beperkte zich niet tot de radio. Vaak waren zang en dans integraal onderdeel van de hoorzittingen. Zingend en dansend konden verdachten vergeving vragen aan de familie van de slachtoffers en voor een genadige behandeling pleiten, of hen laten weten dat ze ten onrechte waren gearresteerd en vrij moesten worden gelaten..
Nu nog wordt in de reïntegratiekampen muziek aangewend voor pedagogische doeleinden. Vrede, nationale eenheid en samenleven zijn belangrijke thema’s van de muzikale exercities. Vlekkeloos worden teksten ten gehore gebracht als: “We zijn geen Hutu’s, we zijn geen Tutsi’s, we zijn nu allemaal Rwandees.” Het is de vraag of deze welhaast evangelische leermethode zijn doel bereikt, als niet tegelijkertijd wordt uitgelegd en begrepen hoe het zo ver heeft kunnen komen dat landgenoten onderling tot slachtpartijen overgaan en als niet wordt bewerkstelligd dat de Rwandese burgers op voet van gelijkheid in vrede kunnen samenleven. Maar toegegeven, een mooi spektakel is het wel.