

Mijn reis naar Botshabelo, een opvanghuis-in dorpsvorm voor ontheemde zielen, of het nu kinderen, volwassenen of dieren zijn, begint voor de kledingkast. Er zit niet zo heel veel in, relatief gesproken dan, maar al wat mij niet meer bekoren kan of te strak om de borst spant gaat mee voor de behoeftigen verderop. En zie: daar verrijst toch een kleine stapel afdankertjes. Twee stuks uit de serie vodden, een jasje en een rok, kunnen linea recta de vuilbak in.
Een misstap! Margaret, mijn domestic, een struise vrouw die in haar eentje de zorg draagt voor 11 familieleden, houdt het jasje omhoog, verse theevlek erop. “Wat doet dat in de vuilnisbak?? Dat is nog prima te gebruiken!” Mijn vodden gaan meteen in de was en daarna in de tas, om elders te worden gedistribueerd. Legio mensen in haar buurtschap doen er een spreekwoordelijke moord voor. Oef, wat voel ik mij beschaamd.
Met camera & proviand en een tas vol kleren ga ik op pad, over de eindeloze wegen de provincie in. Rijden is hier een ervaring van andere orde. De weidsheid van het land en de cadans van wielen op de weg vormen een mantra om het hoofd leeg te maken of juist scherp te denken, al naar gelang de behoefte van het moment. Alleen bij het traceren van de juiste locatie vloeit weleens wat zweet, als niet-bestaande afslagen dienen te worden genomen om op de plaats van bestemming te komen. Een scherpe u-bocht biedt soelaas wanneer die onverhoopt worden gemist.
Daar sta ik dan, in een bonte omgeving, met gebouwen in soorten en maten, van redelijk nieuw en strak tot lichtelijk afgetakeld, een school, een bakkerij, een kantine, een computerlokaal, een douchezaal-in-wording, een speeltuin, allemaal in de loop van jaren opgebouwd met eigen geld en genereuze hulp van derden. Zo blijkt het schoolgebouw ontworpen door een Duitse architect met Rudolf Steiner-inslag. Hij heeft zeer ernstig over het ontwerp nagedacht, op de afwatering na. Gevolg: regenwater in de fundering, het gebouw een beetje scheefgezakt, het pleisterwerk eraf… Speciaal overgekomen ter aanschouwing van het resultaat had hij verbouwereerd opgemerkt “Mein Gott, what have you done, in Germany we can cut our bread along these corners”…
Achter alle bouwwerken ligt het voetbalveld, een herkenbaar en alomtegenwoordig baken in het Afrikaanse landschap. Voetbal is religie. Aansluitend volgt een township waarvan de huizen fatsoenlijk ogen en niet alsof de grote boze wolf ze met één ademstoot van de aardbodem kan vagen. In vergelijking met andere structuren, die van ellende, plastic en karton samenhangen, is dat al heel wat. Verder struinen overal honden en kippen en pony’s en schapen en niet te vergeten kinderen, héél veel kinderen.
Founding father Con Cloete ontvangt mij persoonlijk en leidt me een paar uur rond. Een beroepsverteller is het, die met zijn gezin een rijk & comfortabel bestaan in wit Johannesburg heeft opgegeven om iets terug te doen voor de zwarte gemeenschap. De grootste wens van zijn vrouw Marion, was het bieden van solide en toegankelijk onderwijs in rurale gebieden. Sommige plattelandskinderen lopen twintig, dertig kilometer per dag om les te krijgen in een gammel schooltje. Lesmateriaal is lang niet altijd voorhanden, 60 leerlingen per klas geen uitzondering.
Taal is een groot struikelblok. Zuid Afrika kent 11 officiële talen, maar onderwijs wordt veelal in het Engels of in het Afrikaans gegeven. Er gaat verandering in komen, zo luiden officiële overheidsverklaringen. Maar voorlopig heb je gewoon pech als je de taal niet machtig bent. Als zelfs de meest elementaire zaken ontbreken, waar blijf je dan met de educatie van de jongere generaties die voor de opbouw van dit land van wezenlijk belang zijn?
wordt vervolgd..
