
Waar wij op onze openbare basisschool weleens een paar goeiige bijbellessen kregen van een evangelisch georiënteerd persoon, verluchtigd met vrolijke vilten taferelen tegen een plakkende ondergrond, zo behoort bijbelles op school bij de adventisten in Afrika tot de dagelijkse kost voor alle leeftijdsgroepen. Van een kinderbijbel is geen sprake, de volledige koe wordt bij de horens gevat, hup van de Alpha tot aan de Omega, geen letter van Gods woord zal verloren gaan. Voor de groep van zeven- en achtjarigen staat het boek Richteren (Judges) op de rol, een straf stukje geschiedschrijving uit het Oude Testament dat bol staat van de gewelddadigheden, intolerantie en broedermoord. Rode draad is de eeuwige ongehoorzaamheid van de Israëlieten aan God en de daarop bij wijze van straf volgende overheersing door andere woestijnvolkeren, die valse goden propageren en de Israëlieten wreed uitbuiten. Als apotheose volgt dan steevast de terugkeer-met-hangende-pootjes naar de ware God, die een richter (bestuurder) tot redder van het noodlijdende volk bombardeert. Met list en bedrog en grof geschut worden de ketenen afgeworpen en -met name- Gods gezag hersteld. Hoe al deze zaken in een kinderbrein moeten worden gepompt is mij een raadsel, hoe het zit met tekstbegrip al evenzeer.
De klas is al een eind in het bijbelboek gevorderd, Judge Gideon wordt besproken in een krakkemikkig Engels dat om gespitste oren vraagt, Judge Gideon “die heel slap was en zijn volk ook”. Ik zit te midden van zeker veertig hele kleine mensen en probeer niet op te vallen, iets dat maar matig lukt. Er zit nog iemand die opvalt in de klas, een koffiekleurig jongetje met een klassieke Arabische neus. Zijn klasgenootjes hebben hem buiten al aan mij aangewezen: “dat is er eentje die slaat”. Op het schoolplein liep ‘ie inderdaad dreigend met een grote stok te zwaaien. Nu pakt zijn buurjongetje die stiekem af van onder de tafel en verdonkeremaant hem snel. Ha, denk ik, da ’s pas rechtvaardigheid. Maar opgelet, teacher Daniel, die tevens kapelaan is, heeft de wind er onder. “Jullie weten het” roept hij, “ik heb ogen in mijn achterhoofd, ik zie en hoor alles”. Op meesterlijke wijze loodst hij de kleintjes door het taaie verhaal met toneelstukjes en veelvuldig repeteren. Judge Gideon is de door God aangewezen redder, de Midianieten het volk tegen wie hij het zwaard moet opnemen. God zal de slappe Gideon daarbij in al zijn glorie terzijde staan, maar eerst moet er een daad worden gesteld. Gideon moet de afgodsbeelden in het huis van zijn vader vernietigen.
“Klas, wat zijn afgoden?”, vraagt teacher Daniel. Niemand die het precies weet. “Afgoden zijn namaakgoden. Het zijn beelden gemaakt van metaal, hout of steen.” Op het bord schrijft hij: “statutes (sic) made of metal, wood or stone.” “Mensen aanbaden die beelden alsof het echte goden waren. De belangrijkste afgod was Baäl, dat was de god van de vruchtbaarheid en de regen. Wat is vruchtbaarheid? Niemand? Dat is als je dingen kunt laten groeien, daar heb je natuurlijk ook regen voor nodig. Hoe heette die afgod?” Aarzelend gaat het van “Baäl”, dat moet nog een keertje over. “Hóe heette hij?” “BAÄL!” Dat is al stukken beter. “Gideon moet dus eerst die beelden kapot maken, anders wil God hem niet helpen”. Geen beste les in religieuze tolerantie dit, maar gelukkig, daar komen de eerste relativerende vragen uit de klas. “Als je een metalen beeld op de grond gooit, gaat het dan wel stuk?” En “teacher, wat is metaal?” “Eh”, zegt teacher Daniel. Hoe leg je uit wat metaal is aan kinderen die niet vanzelfsprekend bekend zijn met dat materiaal? Hij peinst even en wijst dan naar het dichtstbijzijnde raamkozijn. “Dit is metaal en nee, het gaat niet zo makkelijk kapot. Jullie mogen er allemaal aan komen voelen en ruiken”. Even later staan er dik vinger- en neusafdrukken op het glas, aanschouwelijk onderwijs op z’n best. De vraag hoe je iets van metaal stukmaakt blijft onbeantwoord.
“Zo en dan spelen we nu het aanbidden van Baäl na, jij bent Baäl, kom maar staan en jullie daar, kom, jullie zijn de aanbidders, doe mij maar na.” Als een geoefend afgodsaanbidder gaat teacher Daniel met zijn troepen op de knieën, hilariteit alom. De uitverkoren Baäl staat stokstijf een beeld te wezen. Nu zou hét moment zijn om ze te vertellen over de kinderoffers die aan Baäl werden gebracht, schitterende horror die spectaculair toneel zou opleveren. Diverse bronnen spreken van grote, holle beelden met uitgestrekte armen en wijd opengesperde muilen, waarin een vuur zo hoog wordt opgestookt dat de vlammen eruit slaan en van levende baby’s die bij wijze van offer via de -beweegbare- armen langzaam die muil in rollen, linea recta de dood tegemoet. Ik vind het even gruwelijk als vernuftig klinken, kom maar eens op zo’n mechaniekje om je handen niet te hoeven branden. Maar aangezien het zwart maken van vijanden al millennia een mooie opmaat naar oorlogsvoering en uitroeiing is, neem ik liever aan dat het reeds gestorven zuigelingen waren die de oven ingingen en dat het levend verbranden van kinderen een sterk staaltje antieke propaganda is geweest. De Israëlieten mogen zich dan slecht behandeld hebben gevoeld, zij hebben op hun beurt ook flink huisgehouden bij hun buurvolkeren.
Na een klein uur zitten aan een laag tafeltje op een laag bankje heb ik een houten rug. God, wat ben ik blij dat ik nooit meer naar school hoef, het is echt een reis terug in de tijd, in de klas met kinderen die oprecht geïnteresseerd zijn, geëntameerd, die hun vinger het allerhoogst opsteken als er wat gevraagd worden en die “me, me teacher” roepen, maar ook die glazig kijken, wegglijden van de les, die klieren of te onrustig zijn om stil te zitten. Ik heb het allemaal gezien, ik ben die kinderen geweest. Wat zullen zij van de Bijbelse verhalen onthouden? Zullen zij parallellen trekken met hun eigen regio, waar stammen elkaar nog steeds op leven en dood bevechten? Zullen ze ooit iets leren over de historische context? Of zullen ze het ware geloof blind omarmen, een geloof dat nota bene door blanke mannen is verspreid? Daar klinkt het verlossende geluid van de bel.